default

Dilemma's

De verschillende argumenten die in de eerste ronde van deze dialoog door de deelnemers naar voren zijn gebracht, leiden tot verschillende dilemma's. Wij formuleerden er vier.


  • 1. Meer ruimte voor het dier bevordert het welzijn, maar  betekent in de regel ook meer uitstoot van ammoniak, meer fijnstof, meer geur. Maatregelen op milieugebied zijn vaak strijdig met dierenwelzijn.
  • Door de toepassing van betere technieken kan schaalvergroting er aan bijdragen dat meer dieren worden gehouden onder strengere milieuregels. Maar wordt bij deze  schaalvergroting wel voldoende gedaan aan het sluiten van kringlopen (voer, mest) en aan het reduceren van stankoverlast, ammoniakuitstoot en fijnstof? Grotere bedrijven zijn wettelijk verplicht de ammoniakuitstoot sterker te verminderen. Grootschalige veebedrijven hebben meestal meer financiële middelen om in milieumaatregelen te investeren. Aan de andere kant dragen grotere bedrijven wel bij aan een lokaal grotere milieudruk. Voor uitbreidingen zijn dierrechten nodig van een ander bedrijf dat bijvoorbeeld stopt. De milieudruk op die plek vermindert dan. 

  • 2. Een toename van megastallen leidt tot meer dieren die onder strengere milieuregels vallen.
  • Er worden strengere eisen gesteld aan de vestiging van megastallen om er voor te zorgen dat de totale milieubelasting in Nederland afneemt, of ten minste niet toeneemt. Megabedrijven moeten aan strengere milieunormen voldoen dan de normen die gelden voor de huidige stallen. Dierrechten (varkens en kippen) en melkquota (melkkoeien) zorgen er ntot en met 2014 voor dat  er een nationale limiet is aan het totaal aantal, in Nederland, te huisvesten dieren. Staatssecretaris Bleker en de Tweede Kamer zijn in gesprek over hoe het aantal te houden dieren na die periode geregeld moet worden. 

  • 3. Nederland moet haar verantwoordelijkheid nemen voor de milieubelasting die zij veroorzaakt. Maar de winst die hier wordt behaald, kan door een toename van de productie elders in de wereld weer teniet worden gedaan. 
  • De productie van vlees is voor Nederland de grootste veroorzaker van een hoge milieu-impact door landgebruik. Minder productie en consumptie van vlees heeft een grote (positieve) invloed op die milieubelasting, voornamelijk doordat er dan minder veevoer geproduceerd hoeft te worden. Hergebruik van restafval in de veehouderij is een goede zaak voor het milieu, maar dit is echter maar een beperkt onderdeel van het benodigde veevoer in de veehouderij. Sommige stromen restafval zouden bovendien ook anders toegepast kunnen worden. Als Nederland minder vlees exporteert gaan andere landen mogelijk meer vlees produceren. Bovendien is er vooraf geen zekerheid over de wijze waarop andere landen dat gaan doen.  

  • 4. Nederland moet vlees niet produceren in de intensieve veehouderij maar overgaan op een hoofdzakelijk biologische veehouderij. De biologische veehouderij veroorzaakt echter een hogere milieudruk.
  • De biologische veehouderij heeft aandacht voor dier, mens en milieu. Vanuit milieuoogpunt is biologisch boeren echter niet altijd het meest optimaal. Om ook het milieu te laten profiteren van deze omslag zou het totaal aantal in Nederland gehouden dieren omlaag moeten. De totale productie van vlees door Nederland zal dan ook fors omlaag gaan als Nederland grotendeels omschakelt naar biologische veehouderij.